Stoomlocomotief Bouwserie 42.90
De locomotieven van de bouwserie 42.90 van de Deutsche Bundesbahn (DB) waren omgebouwde locomotieven van de bouwserie 52, die uitgerust waren met “Franco-Crosti” voorverwarmings ketels. De locomotieven werden ingezet voor het goederentransport.
Ontwikkeling en Bedrijf
De locomotieven van de Bouwserie 52 vertoonden al snel gebreken in het continu gebruik, waardoor deze locomotieven werden aangewezen voor ombouw of reconstructies. Twee locomotieven (de 52 893 en 52 894) werden in 1951 door Henschel omgebouwd en kregen een voorverwarmingssysteem volgens het Franco-Crosti concept. Ze werden ingedeeld als Bouwserie 42.90 met de bedrijfsnummers 42 9000 en 42.9001.
Na voltooiing werden de locomotieven tot 1952 getest door het Spoorwegtestbureau in Minden. Er werd een brandstofbesparing van ongeveer 15% behaald ten opzichte van de oorspronkelijke Bouwserie 52. De opgedane ervaring werd verwerkt in de Franco-Crosti-ketels van de DB-Bouwserie 50.40.
Van 1952 tot 1958 werden de locomotieven ingezet door het depot Bingerbrück. Daarna waren ze gestationeerd in het depot Oberlahnstein, waar de locomotieven in 1960 ter zijde werden gesteld. De korte bedrijfsduur van maximaal negen jaar was voornamelijk te wijten aan het feit dat de extra geïnstalleerde voorverwarmingsketels na enkele jaren aanzienlijk aangetast waren door corossie, waardoor onderhoud te duur werd.
Technische kenmerken
Om het voedingswater voor te verwarmen, werden aan de rechter- en linkerkant twee voorverwarmingsketels onder de lange ketel van de machines geïnstalleerd. De rookgassen werden via de rookkamer naar de voorverwarmingsketels geleid. Twee extra schoorstenen leidden de rookgassen samen met de uitlaatstoom uit de cilinders naar de open lucht. Ze waren zijwaarts naast de lange ketel gemonteerd. De bestaande schoorsteen aan de voorkant van de rookkast werd behouden. Deze werd alleen gebruikt om op te warmen wanneer de locomotief stil stond. Tijdens de reis werd deze gesloten met een klep. De twee zijschoorstenen leverden de locomotief de bijnaam “Paashaas” op in spoorwegkringen.
Aanvankelijk werden de twee locomotieven zonder windgeleidingsplaten gebruikt. Rookgassen kwamen echter vanuit de zijschoorstenen de bestuurderscabine binnen, wat onacceptabel was voor het bestuurderspersoneel. In 1951 werden de locomotieven uitgerust met grote windafbuigers op de ketel en op het dak van de machinistencabine. De zijschoorstenen werden later voorzien van extra windafbuigers.
Bronnen: [1]
-->
Verwijzingen (links)
Intern
Extern
Modellen
|
Bronnen, referenties en/of voetnoten
|


