Großherzoglich Badische Staatseisenbahnen (Bad.StB.)

Uit 3rail Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Großherzoglich Badische Staatseisenbahnen (Bad.StB.)
Commons-Wappen Deutsches Reich - Grossherzogtum Baden.png
Land Duitsland.gif: Baden
(Keizerrijk Duitsland)
Opgericht 1872
Opgeheven 1920
Spoor lengte 2.000 km

Großherzoglich Badische Staatseisenbahnen (Bad.StB.)

In 1840 werd in het groothertogdom Baden een staatsspoorweg opgericht, welke in 1872 als onafhankelijke spoorwegonderneming onder de naam Großherzoglich Badische Staatsseisenbahnen (BadStB) werd opgericht. Met de nationalisering van de Duitse nationale spoorwegen in de Weimar Republiek, werd deze in 1920 opgenomen in de Deutsche Reichseisenbahnen, welke vanaf 1924 in Deutsche Reichsbahn Gesellschaft (DRG) werden ondergebracht.

Geschiedenis

Naast het hertogdom van Braunschweig, was Baden de tweede Duitse staat die de bouw en de exploitatie van de spoorwegen voor zijn rekening nam. In 1833 wilde de ondernemer Ludwig Newhouse een spoortraject bouwen van Mannheim naar Basel, maar dit werd aanvankelijk niet goedgekeurd door de regering van Baden. Pas na de oprichting van een spoorwegonderneming in de naburige Elzas, die in 1837 een spoorlijn van Basel naar Straatsburg bouwde, besloot de regering in Baden om ook zelf een spoorlijn te bouwen om migratie van het verkeer naar de Elzas, te voorkomen. In 1838 werd besloten tot de bouw van een spoorlijn van Mannheim naar Basel, evenals een spoorlijn naar Baden-Baden en een aftakking naar Straatsburg. De bouw zou bekostigd worden door de Staat. De bouw begon in September 1838. In 1872 werden de spoorlijnen, die tot dan toe eigendom waren van de regering, een onafhankelijke spoorweg onderneming die de naam Großherzoglich Badischen Staatseisenbahnen kreeg.

Het eerste traject, ook bekend als Badische Hauptbahn, werd geleidelijk afgerond in de jaren 1840-1863. Het eerste 18,5 km lange traject tussen Mannheim en Heidelberg werd op 12 september 1840 in gebruik genomen. Gereden werd met de locomotieven "Greif" en "Löwe". In 1841 volgde een 3e locomotief "Heidelberg" geheten. Verdere uitbreiding van het spoorwegennet volgde in 1843 met een lijn naar Karlsruhe in 1843, Offenburg in 1844, Freiburg in 1845 gevolgd Schliengen in 1847 Efringen-Kirchen in 1848 en Haltingen in 1851. De zijlijnen naar Kehl en naar Baden-Baden werden reeds in 1843 en 1845 geopend. Verdere uitbouw van het spoortraject over Zwitsers grondgebied naar Basel, vereiste onderhadelingen met de Zwitserse regering. Dit verliep moeizaam waardoor de bouw van het traject vertraging opliep. Op 27 juli 1852 werd een overeenkomst gesloten met de Zwitserse regering en kon de Badische Staatseisenbahnen zijn traject op Zwitsers grondgebied bouwen en exploiteren.

Baden bouwde zijn spoortracé's met 1600 mm breedspoor, in tegenstelling tot andere spoorwegondernemingen in naburige landen in het Duitse keizerrijk, die hun spoorlijnen met 1435 mm normaalspoor bouwden. Dit leverde problemen op met de aansluiting op de lijnen van de naburige landen. Uiteindelijk werd besloten om de Badische breedspoor trajecten om te bouwen naar normaalspoor, wat in het jaar 1854/1855 plaatsvond.

Het Badische hoofdtraject (Badische Hauptbahn) kwam gereed na oplevering van het spoor naar Basel in 1855, Waldshut in 1956 en Konstanz in 1863, en omvatte in totaal 414,3 km aan spoorlijn. Hierna vond verdere uitbreiding plaat met het traject Karlsruhe–Pforzheim–Mühlacker, welke in de periode 1859-1863 werd geopend, de aansluiting met Odenwald en Traubenfranken met het traject Odenwaldbahn Heidelberg–Mosbach–Würzburg welke in de periode 1862-1866 werd geopend evenals een traject met een rechtstreekse verbinding van Karlsruhe naar Konstanz (de Schwarzwaldbahn) welke in de periode 1866-1873 werd geopend.

Verbindingen met buurlanden

In 1859 kwam de brug over de Rijn bij Walschut gereed, waarna de verbinding met Zwitserland verder gerealiseerd kon worden. In 1863 ontstond de verbinding met Schaffhausen, gevolgd door de verbinding met Konstanz (1871) en met Singen am Hohentwiel in 1875. In 1873 werd de verbinding met Zwitserland (Basel) geopend.

In 1846 kwam de verbinding naar het noorden (Main-Neckar-Bahn) gereed. In 1879 volgde de Riedbahn. De verbinding met Frankrijk werd al in 1861 opgeleverd. In 1865 volgde de verbinding met de Pfalz en in 1867 werd de verbinding tussen Mannheim en Ludwigshafen gerealiseerd. De verbinding met Beieren werd gerealiseerd met de opening van de Badische Odenwaldbahn in 1866. De onderhandelingen over de verbinding met Württemberg verliepen zeer moeizaam, omdat beide landen qua exploitatie elkaars concurrent zouden worden voor de verbindingen over de Alpenpassen. In 1850 kwam het tot een overeenkomst waarbij Baden de verbinding Pforzheim–Mühlacker (Bahnstrecke Karlsruhe–Mühlacker) zou bouwen en exploiteren, terwijl Württemberg de bouw en exploitatie van het traject Stuttgart–Mühlacker–Bretten–Bruchsal (Württembergische Westbahn) op zich zou nemen. De verbinding tussen Pforzheim en Mühlacker werd in 1853 opgeleverd.

Verdere uitbreidingen aan het spoorwegennet in Baden betroffen met name regionale ontsluitingen of werden vanuit militaire uitgangspunten verricht. De belangrijkste uitbreidingen waren :

  • 1879 - Opening van de Neckartalbahn met het traject Neckargemünd–Eberbach–Jagstfeld
  • 1887 - Opening van de Höllentalbahn met het traject Freiburg (Breisgau)–Neustadt (Zwarte Woud)
  • 1887-1890 - Opening van het traject Weil am Rhein–Lörrach, de Wehratalbahn en de Wutachtalbahn.
  • 1895 - Opening van het traject Graben-Neudorf–Karlsruhe–Rastatt–Roeschwoog (Elzas)

Zo rond 1895 was het spoorwegennet van de Badische Staatsbahn, op wat kleine uitbreidingen na, gereed. In 1900 bestond het spoorwegennet in Baden uit 1996 km spoor, waarvan 1521 km eigendom was van de Badische Staatsbahn. In de volgende jaren bestonden de werkzaamheden aan het spoor voornamelijk uit werkzaamhden op de stations op de knooppunten, waarvan de belangrijkste in plaatsvonden in het dal van de Donau, in het zuiden van Baden. In de periode 1887-1890 werden daar de volgende werkzaamheden uitgevoerd aan het spoor:

  • 1895 - Bouw van een rangeerstation in Karlsruhe
  • 1895 - Bouw van het station Rastatt
  • 1905 - Bouw van een parallelbaan/bypass voor goederentreinen in Freiburg (Breisgau)
  • 1905 - Bouw van een goederenstation in Basel
  • 1906 - Bouw van een parallelbaan/bypass voor goederentreinen in Bruchsal
  • 1906-1907 - Bouw van een rangeerstation in Mannheim
  • 1911 - Bouw van het station Offenburg, inclusief rangeerstation
  • 1913 - Bouw van eigen station in Basel met aansluitend een nieuw rangeerstation bij Weil am Rhein
  • 1913 - Bouw van een hoofdstation in Karlsruhe
  • 1914 - Bouw van een Rangeer- en goederenstation in Heidelberg.

Tevens was gestart met de bouw van het station Heidelberg, maar kwam vanwege het uitbreken van de 1e wereldoorlog niet meer afgebouwd worden. De bouw van dit station werd pas in 1955 verder afgebouwd.

In Baden werden tevens meerdere trajecten gebouwd door privé ondernemingen, maar werden tevens geëxploiteerd door de Badische Staatseisenbahnen. De meeste trajecten werden dan ook door de staat overgenomen. De belangrijkste trajecten die door privé-ondernemingen zijn gebouwd waren:

  • De Maxaubahn van Karlsruhe a/d Rhein naar Maxau, werd in 1862 geopend en in 1906 door de staat overgenomen
  • De Rheinbahn met het traject Mannheim–Schwetzingen–Graben-Neudorf–Eggenstein–Karlsruhe, werd in 1870 geopend en later overgenomen door de staat.
  • De Kraichgaubahn met het traject Karlsruhe–Bretten–Eppingen, werd in 1879 geopend en door de staat overgenomen.

In September 1913 werd het eerste geëlectrificeerd traject in Baden geopend. Het betrof de Wiesentalbahn met het traject tussen Basel-Zell im Wiesental en de vertakking naar Schopfheim–Bad Säckingen. Voor deze trajecten werden de electrische locomotieven van de Badische A1, Badische A2 en Badische A3 aangeschaft. Van verdere elekrtificering van de Badische spoorlijnen kwam het niet vanwege het uitbreken van de crisis en de 1e wereldoorlog. Pas in 1952 werd de elektrificering van de Badische spoorlijnen grootschalig opgepakt.

Na de 1e wereldoorlog verviel in 1918 het predikaat Groothertogdom en ging de onderneming verder onder de naam Badische Staatsseisenbahnen. In 1920 werd de Badische Staatseisenbahnen, net zoals alle nationale spoorwegen, ondergebracht bij de Deutsche Reichsbahn Gesellschaft (DRG), welke later werd hernoemd naar Deutsche Reichsbahn.


Spoorwegen in Baden

Bronnen:wikipedia Großherzoglich_Badische_Staatseisenbahnen[1]

Naamgeving/Indeling grootspoormaterieel

Voor een overzicht van afkortingen van Duits spoorwegmaterieel zie: Overzicht Grootspoor Materieel Großherzoglich Badische Staatseisenbahnen.

Verwijzingen

Intern

Extern


Bronnen, Referenties en/of Voetnoten

  1. Bron:https://de.wikipedia.org/wiki/Gro%C3%9Fherzoglich_Badische_Staatseisenbahnen


Duitsland.gif
Grootspoor rijdend materieel Großherzoglich Badische Staatseisenbahnen (Bad.StB.)
Stoomlocomotieven: Ia (oud) - Ib (oud) - Ic (oud) - II (oud) - IIIa (oud) - IIIb (oud) - IIIc (oud) - IV (oud) - V (oud) - VI (oud) - VII (oud) - VIII (oud) - Xc (oud) - Xd (oud) -IX (oud) - Xa (oud) - XI (oud) - XII (oud) - XIV (oud)

IIa - IIb - IIc - IId - III - IIIa - IIIb - IVa - IVb - IVc - IVe - IVf - IVg - IVh - Va - VI - Pr.P8 - VIIa - VIIb - VIIb - VIIc - VIId - VIIIa - VIIIb - VIIIc - VIIIe - G 12

Tenderlocomotieven: Ia - Ib - Ic - Id - Ie - If - Ig - IVd - Vb - VIa - VIb - VIc - VIIId - IXa - IXb - X - Xa - Xb
Elektr. locomotieven
(15 kV, 16,7 Hz):
A1 - A2 - A3 -
Treinstellen (Stoom): 133c - 121a
Treinstellen (Accu): 133d


Spoorwegmaatschappijen Duitse Keizerrijk
Baden (Bad.StB.) - Beieren (K.Bay.Sts.B.) - Elzas-Lotharingen - Hessen en Pruisen/Hessen (K.P.u.G.H.StE.) - Mecklenburg (M.F.F.E.) - Oldenburg (G.O.E.)
Pruisen (K.P.St.E.) - Saksen (K.Sächs.Sts.E.B.) - Württemberg (K.W.St.E.)