In de jaren 1950 zocht men bij de pas opgerichte Deutsche Bundesbahn naarstig naar nieuwe tractievormen ter opvolging van de stoomlocomotieven met hun omslachtige bedrijf en daarmee gepaard gaande hoge kosten. Voor de hoogwaardige sneltreindiensten liet men het oog vallen op bestaande sterke voertuigen die al met dieseloverbrenging uitgevoerd waren. De DB besloot op basis van aanwezige kennis in de meerdere gebieden, zoals hieronder genoemd, deze te combineren en op basis daarvan een dieselloc te ontwikkelen voor hoogwaardige sneltreindiensten.
DB kennis dieseltractie was reeds aanwezig t.w. van de kleinere en middelzware diesellocs zoals bijvoorbeeld de V60
De aanwezige kennis op het gebied van aandrijftechniek bij zware voertuigen met cardanassen
Daimler-Benz, MAN en Maybach hadden, in samenwerking met het Bundesbahn-Zentralamt in München, gekozen voor een nieuw 12- cilinder-aggregaat met 1100 pk vermogen.
Verder waren Maybach en Voith bezig met een nieuwe vloeistofoverbrenging bij diesels
Ontwikkeling en Bedrijf
Op basis van bovengenoemde punten werd bij Krauss-Maffei met deelname van de meeste West-Duitse locomotiefbouw firma's de succesvolle locomotief V 200.0 ontwikkeld. Diens twee aggregaten leverden samen 2200 pk bij een dienstgewicht van “slechts” 78 t.
Slechts 78 ton omdat een vergelijkbare sterke stoomloc met tender ongeveer 160 t op de weegschaal gezet zou hebben.
In 1953 werd de eerste loc, V200 001, getoond op de Verkehsrausstelling in München. De fraaie vorm maakte grote indruk op het publiek; dit in tegenstelling tot de wat lompe vormgeving van het in dezelfde tijd gebouwde prototype van de E10
Het bewijs voor de buitengewoon hoge betrouwbaarheid en geschiktheid van deze loc uit de jaren vijftig is wel gebleken, omdat ruim een halve eeuw na hun aanschaf enkele exemplaren in het buitenland en bij particuliere spoorwegen nog steeds dienst doen.
De Zwitserse AM 4/4‘s zijn overgenomen V200.0’s van de DB, die gemaakt zijn in de fabrieken van Krauss-Maffei en MaK. In totaal werden er 86 gebouwd, waarvan 5 voorserie locomotieven. In oktober 1986 kocht de Zwitserse SBB-CFF-FFS zeven V200.0’s die bij de DB niet meer in gebruik werden (De laatste V200 werd bij de DB in 1984 reeds uit dienst genomen). De Am 4/4 had een topsnelheid van 140 Km/h.
Baureihe V200 V 200.1/BR 221
V200.1/Baureihe 221 – 221 138 Lindau 1973
Spoorwegmij's
DB
Bedrijfsnummers
V200 101-150 na 1968: 221 101 – 221 150
Fabrikanten
Krauss-Maffei
Aantal gebouwd
50 stuks
Bouwjaren
1962-1965
Uitdienst
1987-1988
Asvorm
B'B'
Lengte over de buffers
18440 mm
Dienstgewicht
78-79.5 t
Max.snelheid
140 km/h
Vermogen
2 x 993 kW
Aanvangskracht
- kN
Bouwwijze motor
MTU MB V12 652 TA
Overdracht vermogen
Hydraulisch
Brandstof-tankinhoud
2700 ltr.
Remmen
Mechanische rem
Diesellocomotief V200.1 / Baureihe 221
De V200.1 (of BR221) is een zwaardere uitvoering van de V200 en is gebouwd door de firma Kraus-Maffei. De V200.1 had van 1350 Pk terwijl de oudere V200.0 was uitgerust met motoren van 1100 Pk en niet zwaar genoeg meer bleek om de zwaardere en langer geworden treinstellen te trekken.
Ontwikkeling en Bedrijf
De locomotieven werden voor zowel het goederentransport als voor personenvervoer ingezet. De V200.1 bedrijfsnummers werden in 1968 omgenummerd naar BR221 bedrijfsnummers. Bedrijfsnummers V200 101–150 werden omgenummerd naar 221 101–150. De maximum snelheid van deze locomotief bedraagt 140 km/h. De locomotieven werden gebouwd in de periode 1962-1965. In totaal zijn er 50 locomotieven van de Baureihe V200.1/BR221 gebouwd. In 1988 werd de laatste locomotief van de V200.1/BR221 bij de DB buiten dienst gesteld.
Bronnen:
Nico Spilt – Langs de Rail: DB diesellocs V200 (220, 221) en V300 (230)[1]